Beeld: McGoo84 (FreeImages)

De rekenrente voor de lange termijn waar pensioenfondsen mee moeten rekenen is veel ongunstiger dan waarmee verzekeraars mogen rekenen. Dat is nadelig voor de pensioenfondsen en leidt tot het uitblijven van indexering en kortingen. 50PLUS wil een onderzoek naar het verschil in behandeling van pensioenfondsen en verzekeraars en diende daarvoor een motie in.

50PLUS vroeg een debat in de Tweede Kamer aan over de UFR voor pensioenfondsen en verzekeraars. Even voor de duidelijkheid: wat is UFR? De afkorting staat voor Ultimate Forward Rate. Het is een rekenrente voor de zéér lange termijn (20 tot 60 jaar, of meer) waarmee vastgesteld wordt of pensioenfondsen en verzekeraars in de verre toekomst voldoende vermogen zullen hebben om aan hun pensioenverplichtingen te voldoen.


Rekenrente aanpassen

Aanleiding voor het debat is het voorstel van de Europese verzekering- en pensioenautoriteit EIOPA om de rekenrente voor verzekeraars aan te passen aan de ontwikkeling van de marktrente. Voor verzekeraars daalt de UFR in kleine stapjes van maximaal 0,15 procent van 4,2 procent nu naar 3,65 procent in 2021. Maar voor pensioenfondsen is in twee jaar tijd de UFR al gedaald van 4,2 procent naar 2,9 procent. En in 2018 gaat de UFR voor pensioenfondsen naar 2,3 procent. En die UFR kan volgens De Nederlandse Bank nog verder dalen, tot beneden de 2 procent.


Helft lager

“Het rekenrenteverschil tussen pensioenfondsen en verzekeraars is nu al 1,3 procent, in het nadeel van pensioenfondsen”, zei Kamerlid Martin van Rooijen tijdens het debat. “Dat verschil wordt 1,9 procent in 2018. Dat is bijna de helft lager voor pensioenfondsen dan voor verzekeraars! De gevolgen zijn enorm, waaronder uitblijven van indexatie en een sterk verhoogde kans op kortingen bij pensioenfondsen.”


Motie voor onderzoek

50PLUS wil een onderzoek van een onafhankelijk actuarieel bureau naar het verschil in behandeling van de UFR voor pensioenfondsen en verzekeraars. Staatssecretaris Klijnsma volhardt in het afwijzen van dit verzoek en daarom diende Martin van Rooijen een motie in waarin de regering wordt gevraagd een actuarieel onderzoek uit te laten voeren door een gerenommeerd bureau naar de verschillen tussen de UFR voor pensioenfondsen en verzekeraars. •••

► De volledige inbreng van Kamerlid Martin van Rooijen bij het debat over de UFR met minister Dijsselbloem van Financiën en staatssecretaris Klijnsma van SZW:

“Als ik kijk naar de publieke tribune dan zie ik ouderen, jeugd en kinderen. Tot allen zeg ik: Dit debat vandaag raakt het pensioen van jong en oud. 50PLUS wil een goed pensioen voor nu, én een goed pensioen voor onze kinderen en kleinkinderen! Daarom heeft 50PLUS dit debat aangevraagd.

Dit technische debat gaat over het verschil in methodiek en hoogte van de zogenaamde UFR voor pensioenfondsen en verzekeraars. De UFR werd in 2012 ingevoerd en was voor zowel pensioenfondsen als verzekeraars gelijk, namelijk vast 4,2%. In 2015 is de UFR alleen voor de pensioenfondsen aangepast en werd die UFR variabel gemaakt, met een voortschrijdend gemiddelde over een periode van 10 jaar. Waar staan wij nú, ten aanzien van de UFR voor verzekeraars en voor pensioenfondsen? Wat is en wordt het verschil in hoogte en methodiek van de UFR?

De toekomstige pensioenverplichtingen van pensioenfondsen worden berekend op basis van de ‘risicovrije rente’ de zogenaamde Rentetermijnstructuur van DNB. Er is destijds gekozen voor een lagere – bewegelijke – risicovrije rente die de markt volgt omdat volgens de Pensioenwet een hoge pensioenzekerheid van 97,5% vereist is. Die rekenrente is een boekhoudrente, géén echte rente en brengt dus géén wijziging in de omvang van de pensioenverplichtingen. Mét die rente varieert dus alleen de contante – boekhoudkundige – waarde, maar niet de omvang van de pensioenverplichtingen. Als bijvoorbeeld de rente stijgt, daalt alleen de contante waarde van de verplichting, de omvang van de verplichting blijft gelijk.

De variabele UFR voor pensioenfondsen is in twee jaar tijd al gedaald van 4,2% naar 2,9% en gaat in 2018 naar 2,3%. En die UFR kán volgens de Nederlandse Bank nog verder dalen tot beneden de 2%. Overigens zal de UFR voor pensioenfondsen uiteindelijk uitkomen op het niveau van de dan geldende RTS, die nu overigens al lager is dan 2,0%. Het gevolg van deze systematiek is dat de UFR voor pensioenfondsen volledig verdampt is, als de RTS op het huidige niveau zou blijven in de resterende periode.

De nieuwe UFR voor verzekeraars was én blijft – in afwijking van de situatie bij pensioenfondsen – een vaste UFR en gaat in kleine stapjes van maximaal 0,15% van 4,2% vast nú naar 3,65% vast in 2021. Verzekeraars bieden echter een nog hogere pensioenzekerheid van 99,5%.

Terwijl verzekeraars dus nota bene een hogere pensioenzekerheid moeten bieden en dus een spijkerharde verplichting hebben, mogen zij een hogere UFR hanteren dan pensioenfondsen. Pensioenfondsen hebben een zachtere verplichting omdat zij moeten korten als de dekkingsgraad te laag is. Eigenlijk zouden de pensioenfondsen juist een hogere UFR moeten hebben. Het rekenrenteverschil tussen pensioenfondsen en verzekeraars is nu al 1,3% in het nadeel van pensioenfondsen. Dat verschil wordt 1,9% (4,2% tegenover 2,3%) in 2018. Dat is bijna de helft lager voor pensioenfondsen dan voor verzekeraars! In 2021 zal het verschil in UFR nog steeds bijna 2% bedragen, in het nadeel van pensioenfondsen.

Ondanks alle uitleg, een deskundigenbijeenkomst, vele brieven en debatten in de Eerste Kamer in 2015 tot heden ziet 50PLUS nog steeds géén begin van een bevredigende onderbouwing voor deze totaal verschillende benadering voor methode en hoogte van de UFR.

De gevolgen zijn enorm, waaronder uitblijven van indexatie en een sterk verhoogde kans op kortingen bij pensioenfondsen. Waarom volhardt de staatssecretaris in haar categorische afwijzing van mijn verzoek om een gerenommeerd onafhankelijk actuarieel bureau het verschil in behandeling van de UFR voor pensioenfondsen en verzekeraars te laten onderzoeken? 50PLUS vraagt wederom een dergelijk onderzoek. Het onderzoek wordt nu al een jaar geweigerd, is dat een teken van zwakte en moet ik uit de steeds langer wordende brieven afleiden dat de minister ook niet zeker van zijn zaak is.

Ik wacht het antwoord van de minister over dat onderzoek af maar afhankelijk van het antwoord overweeg ik een motie tot instelling van een onderzoek.”  

© 12 juni 2017


Wilt u op de hoogte blijven?

Close

Like ons dan op Facebook!