Corrie Trouw website

COLUMN • Het sociaal minimum in ons land is hoger dan waar onze voorouders ooit van hebben kunnen dromen. Maar is het beleidsmatige sociaal minimum – het vangnet tussen twee banen – nog wel voldoende, óók als je er vele jaren van moet leven?

Het sociaal minimum is in afgelopen decennia geleidelijk versoberd. Om het sociale stelsel beheersbaar en betaalbaar te houden is het accent verschoven van het bieden van inkomenszekerheid naar het stimuleren van arbeidsparticipatie. Kerngedachte lijkt de beroemde uitspraak van Verlichtingsfilosoof Montesquieu: “De mens is niet arm omdat hij niets heeft, maar omdat hij niet werkt”. Door latere kabinetten is dit vertaald in vormen van ‘werken aan werk’ als hoeksteen van beleid. Géén twijfel over het belang van deze insteek voor sociaaleconomisch beleid!

Maar het ontslaat de overheid niet van haar verdragrechtelijke, grondwettelijke en morele plicht óók zorg te dragen voor een ‘toereikend’ sociaal minimum voor mensen die gewerkt hebben of niet kunnen werken. Dat sociaal minimum moet niet alleen een bestaansminimum garanderen, maar mensen ook in staat stellen maatschappelijk te participeren in brede zin. Denk aan het kunnen bezoeken van een museum, een mobieltje voor een kind, een cadeautje voor een jarige of een abonnement voor een club. Er zijn steeds sterkere signalen dat het huidige sociaal minimum hiervoor niet meer genoeg is.
 
Vaste lasten – denk aan huur-, energie- en zorgkosten – zijn jarenlang harder gestegen dan het inflatievolgende sociaal minimum. Vaste lasten beslaan daardoor een steeds groter deel van het sociaal minimum. Voor iets ‘extra’s’ of voor onvoorziene kosten blijft minder over. Vervolgens liggen schulden en armoede op de loer. Onderzoek van het NIBUD heeft onlangs aangetoond dat in Utrecht een gezin met oudere kinderen op bijstandsniveau structureel 307 euro per maand tekort komt, ook al wordt gebruik gemaakt van alle toeslagen en aanvullende regelingen in de stad. 

Door toename van kortdurende en flexibele arbeidscontracten biedt zelfs het hebben van werk steeds minder garantie om aan armoede te ontkomen of armoede te ontstijgen. Tien jaar geleden was het ondenkbaar, maar de term ‘werkende armen’ begint in te burgeren in Nederland.
 
Beschaafd vangnet

Met meer dan één miljoen arme mensen, een groeiend aantal van nu al 400.000 langdurig armen en ruim drie miljoen mensen met problematische schulden zou een nieuw kabinet er goed aan doen het sociaal minimum en de hoogte daarvan nog eens kritisch tegen het licht te houden. Het sociaal minimum mag niet verworden van een beschaafd sociaal vangnet tot een verraderlijke valkuil naar armoede en een knoet om mensen te ‘disciplineren’ naar werk. Dat is niet het doel van inkomensbeleid!

Regelingen rond het sociaal minimum zijn ook veel te ingewikkeld geworden. Aanvullend op het sociaal minimum zijn mensen aangewezen op tal van ingewikkelde toeslagen, gemeentelijke bijzondere bijstand en een lappendeken aan gerichte steunpotjes en hulppakketten. Die inkomensondersteuning verschilt per gemeente. Dat werkt rechtsongelijkheid in de hand, want hoe weet je waar je recht op hebt?
  
Waarom geen centraal inkomensbeleid en categoriale regelingen zoals enige jaren geleden voorgesteld door Gerjoke Wilmink, de huidige directeur van het NIBUD? Dat maakt de voorlichting en hanteerbaarheid van regelingen eenvoudiger!

Mijn oproep aan een nieuw kabinet: evalueer (de hoogte van) het sociaal minimum, herijk het! Voorkom dat wij afglijden naar een minimummodel dat mensen nagenoeg op noodrantsoen zet en de doodlopende weg inslaat naar armoede. Zorg voor een zodanig sociaal minimum dat mensen, jong en oud, niet laat marginaliseren en buiten de samenleving vallen, met het risico dat zij zich daarvan uiteindelijk afkeren.

Corrie van Brenk
Tweede Kamerlid 50PLUS

© Column in Dagblad Trouw van 21 september 2017


Wilt u op de hoogte blijven?

Close

Like ons dan op Facebook!