De FNV beantwoordde een deel van onze 55 kritische vragen over het pensioenakkoord. Zo snel en duidelijk, daar kan minister Koolmees een voorbeeld aan nemen. FNV stemde uiteindelijk voor het pensioenakkoord. 50PLUS blijft tegen. Want klip en klaar blijkt dat ouderen en gepensioneerden kunnen fluiten naar hun premie en hun rendement.

Antwoorden FNV op vragen 50PLUS

Tuur Elzinga, vicevoorzitter van de FNV, heeft antwoord gegeven (zie onder) op onze 55 vragen aan minister Koolmees over het pensioenakkoord. Zo snel en duidelijk, daar kan de minister een voorbeeld aan nemen!

De antwoorden zijn door de FNV niet openbaar gemaakt, maar dankzij welwillende FNV-leden weten we nu meer. 64 leden van het ledenparlement van de FNV stemden uiteindelijk voor het pensioenakkoord, 40 leden stemden tegen. 50PLUS blijft tegen! Voor ons is glashelder dat ouderen en gepensioneerden niet hoeven te rekenen op herstelbetaling van niet genoten indexatie. Ouderen en gepensioneerden kunnen fluiten naar hun premie en hun rendement!

Betaalde premie en rendement worden niet herberekend. Dat noemen ze ‘onpraktisch’. Ouderen krijgen dus niet waar ze recht op hebben.

De rechtvaardiging voor de onteigening wordt gevonden in de bewering dat er vroeger te weinig premie is betaald. Er is vroeger doorgaans juist teveel premie betaald. In ieder geval wordt in de huidige situatie jaarlijks veel te weinig premie betaald (waardoor de inkoop van nieuwe rechten deels moet worden gefinancierd door gepensioneerden).

Onze zorgen over onteigening zijn terecht. Beroepsmogelijkheden worden onmogelijk gemaakt door artikel 83 gedurende de overgang, juist op het beslissende moment, even ‘tijdelijk buiten werking’ te stellen.

Er komt geen compensatie voor de afgelopen twaalf jaar met gemiddeld prachtige rendementen, maar núl indexatie. Wel krijgt u een wollig verhaal. Daar kunnen wij actuarieel werk van maken!

De overgang naar het nieuwe stelsel (invaren) gaat tegen de huidige lage rekenrenteregels. Dat wordt verkocht als ‘gunstig’. Onbegrijpelijk!

Er is een maximum van 35 procent aandelen voor ouderen, naast nog twee andere verplichte schokdempers die indexatie ondermijnen.

Hoewel een aantal zaken door de antwoorden van de FNV-vicevoorzitter duidelijker is geworden, zijn wat 50PLUS betreft nog lang niet alle vragen helder en uitputtend beantwoord. Wel wordt er erg gemakkelijk gedaan over onteigening van het pensioengeld en het ergste is misschien wel dat gesuggereerd wordt dat er in de tijd dat gepensioneerden hun pensioen opbouwden te weinig premie werd afgedragen, omdat de rente toen 4 procent was. Die 4 procent werd gehanteerd in tijden dat de risicovrije rente dik bóven de 5 procent lag, dus de premie was toen niet te laag, maar zelfs te hoog!

Dank voor alle antwoorden, Tuur Elzinga, maar het heeft ons gesterkt in onze mening:
50PLUS BLIJFT TEGEN DIT PENSIOENAKKOORD!

______________________________________________________________

 

Reactie van vicevoorzitter Tuur Elzinga van de FNV op de vragen van 50PLUS:

50PLUS heeft natuurlijk wel een paar doorgewinterde experts in huis, waaronder de fractievoorzitter van de Eerste Kamer zelf. Dat levert een lange lijst van kritische vragen namens 50PLUS aan de minister, te beantwoorden voor de Kamerbehandeling van de Hoofdlijnennotitie. Dergelijke kritische en tegelijkertijd degelijke vragen kunnen de kwaliteit van het debat alleen maar goed doen.

Hoewel deze vragen dus aan de Minister zijn gericht, hebben we de vragen via verschillende leden en vertegenwoordigers in ons Ledenparlement doorgestuurd gekregen met de vraag of ik deze vanuit mijn verantwoordelijkheid en met behulp van onze expertise wil beantwoorden.

Ik doe een poging, want de minister is vast nog niet klaar (heeft ook nog 10 dagen extra). De antwoorden zijn door de beperkte tijd niet in alle gevallen uitputtend, maar zo goed mogelijk op dit moment.

1) Klopt het dat de pensioenuitkeringen de afgelopen 12 jaar zouden zijn verhoogd als het nieuwe stelsel al in het jaar 2000 zou zijn ingevoerd? Kunt u daar een (fictieve) berekening van tonen?

Het is buitengewoon complex om deze stelling te onderbouwen of te ontkrachten. De situatie verschilt per fonds. En het is ook niet goed mogelijk om terug te rekenen wat er gebeurd was als bepaalde beleidswijzigingen door een eerdere stelselwijziging niet waren doorgevoerd. (nFTK, aanpassing Witteveenkader). Dat had voor de premiehoogte, opbouw, kortingen e.d. consequenties gehad.

De financiële positie van het fonds is mede afhankelijk van de in een willekeurig jaar geldende parameters als toenmalige rentestand, toenmalige dekkingsgraad, toenmalige beleggingsportefeuille, toenmalige leeftijdssamenstelling en toenmalige mate van renteafdekking.

Bij een overstap op het nieuwe contract was er destijds met een hogere dekkingsgraad ingevaren, was er bij aanzienlijk meer fondsen desgewenst ruimte om direct met een gevulde solidariteitsreserve aan het nieuwe contract te beginnen en was het (verwacht) pensioen direct zichtbaar hoger geweest. Daarna had het over- en onderrendement naar risicodraagkracht kunnen worden toegekend. Uit het totale rendement was echter eerst ‘beschermingsrendement’ toegekend om de waarde van de pensioenen te behouden (ten behoeve van stabiliteit en het voorkomen van kortingen). In meerdere jaren sinds 2007 bestond het rendement van veel fondsen voornamelijk uit de koersstijgingen van obligaties en renteswaps (ter afdekking van het renterisico). Dit zou dan voornamelijk zijn toegekend als beschermingsrendement. Hoeveel dit de afgelopen jaren exact zou zijn geweest is niet meer te reconstrueren. De over- en onderrendementen waren de meeste jaren niet heel omvangrijk. Na kortingen in 2008 en 2009 op basis van onderrendementen zou er in verscheidene jaren daarna waarschijnlijk wel overrendement zijn toebedeeld.

2) Is het juist dat er voor gepensioneerden geen compensatie komt voor de periode 2007 – 2020, terwijl nu duidelijk is geworden dat zij in het nieuwe stelsel wél geïndexeerd zouden zijn?

Zie ook het vorige antwoord.

Eerdere pogingen het stelsel te herzien konden niet op voldoende draagvlak rekenen en zijn nooit verder gekomen dan de tekentafel. En dus is de huidige wetgeving de enige geldende. Op basis van het huidige stelsel hadden deelnemers weliswaar verwachtingen over indexatie, maar zij hadden daar formeel geen recht op. De ingelegde premies waren bedoeld voor het opbouwen van een nominale pensioentoezegging. Er heeft geen premie-inleg plaatsgevonden om ook indexatie mogelijk te maken. (enkele uitzonderingen daargelaten, waar indexatie wel in de premie is meegenomen) Ofwel, indexatie moest (en moet) bij vrijwel alle fondsen volledig uit de gemaakte overrendementen komen. De bruto-rendementen waren hoog, maar de stijging van de verplichtingen ging (door de dalende rente) ook heel hard. De huidige FTK spelregels schrijven zowel voor wanneer indexatie mag plaatsvinden als wanneer kortingen moeten plaatsvinden. Beide spelregels veranderen bij de overstap op het nieuwe stelsel. Inhaalindexatie is bij de overstap alleen direct mogelijk als de fondsvermogens daartoe toereikend zijn. Op basis van de huidige fondsvermogens is dit voor de meeste fondsen niet het geval. Wel zullen naar verwachting de (verwachte) pensioenen voor veel deelnemers en gepensioneerden hoger uitvallen dan onder het huidige contract en vervalt de directe kortingsdreiging op basis van onderdekking. De grote fondsen ABP, PFZW, PME en PMT hebben op dit moment dekkingsgraden tussen 82% en 90%. Bij handhaving van het huidige kader, dreigen hiermee (onvoorwaardelijke) kortingen van 14% - 22% (van de huidige dekkingsgraad naar 104,5%). Als we het projectierendement (op basis van de huidige parameters) zouden toepassen op de huidige dekkingsgraden, dan komen alle vier deze fondsen uit op circa 100% (door het verschil in renteafdekking stijgen PFZW en vooral ABP sterker dan PMT en PME bij een stijging van de rekenrente).

Kortom, er is momenteel weinig ruimte voor directe compensatie voor de gehele indexatieachterstanden. Afhankelijk van de vermogenspositie van het fonds op moment van transitie is er mogelijk ruimte om deze achterstand deels in te lopen. Er is in elk geval een hele sterke vermindering van de kortingsdreiging. En er is direct meer zicht op indexatie de komende jaren.

3) Kunt u een breakdown/uitsplitsing geven van wat er in het beoogde stelsel gebeurt met het totale fondsrendement in een voorbeeldjaar? Welke afslagen gaan ervan af en hoe zou het worden verdeeld?

Dit zit niet in de uitgewerkte doorrekeningen (hadden we ook niet met voorrang verzocht, aangezien we vooral in contractsvergelijking en maatmensen geïnteresseerd waren. Ik kan dat niet precies geven, aangezien de precieze verdeelregels per fonds zullen worden vastgelegd door de contractspartijen.

Het pensioenfonds belegt het vermogen. Dat beleggen gebeurt op basis van de risicohouding van het pensioenfonds en zijn deelnemers. De opbrengsten van dat beleggen wordt via vooraf afgesproken regels verdeeld. Er zijn 2 soorten rendementen, het beschermingsrendement en het overrendement. Het beschermingsrendement wordt eerst toegekend. Dat is om de uitkering te stabiliseren en zal vooral aan ouderen toevallen. Het dan overblijvende overrendement wordt verdeeld op basis van risicodraagkracht. Het overrendement dat je krijgt hoort bij de risico dat wordt gedragen. Dat betekent dat jongere deelnemers die een grotere risicodraagvlak hebben een grotere deel van het overrendement krijgen, zowel bij een positieve als een negatieve overrendement. Dit wordt gerelateerd aan het (verwachte) pensioen op de pensioendatum.

Ook aanpassen van de macro levensverwachting wordt verrekend in de pensioenvermogens. Dit ‘bio-rendement’: ontwikkelingen in de levensverwachting worden gedeeld door alle deelnemers. Is er minder sterfte dan vooraf verwacht, dan leidt dit tot verlaging van de persoonlijke kapitalen. En andersom, is er meer sterfte dan vooraf verwacht, dan leidt dit tot verhoging van de persoonlijke kapitalen. Het ‘bio-rendement’ is mede afhankelijk van de verhouding man/vrouw (vrouwen leven gemiddeld langer) en oud/jong (een nieuw medicijn tegen kanker heeft een grotere invloed op de levensverwachting van ouderen dan van jongeren) en van de verdiende salarissen (gemiddeld leven mensen met hogere inkomens langer dan mensen met lagere inkomens). De gemiddelde levensverwachting verschilt dan ook van fonds tot fonds.

4) Nu er een stelsel komt gebaseerd op premie en rendement, gaat u uiteraard ook voor alle gepensioneerden precies terugrekenen hoeveel premie zij hebben betaald en hoeveel rendement daarop is gemaakt sinds de start van hun deelname? Indien nee, waarom niet?

Nee, dat is praktisch onwerkbaar, daarnaast zijn de premies betaald rekening houdend met andere (impliciete) afspraken over zaken als solidariteit. En zijn onder het oude contract rechten op een andere wijze opgebouwd. Deze oude rechten zullen daarom actuarieel en generationeel fair worden ingevaren. (tenzij dat tot een onevenwichtige situatie leidt of tot een disproportioneel nadeel voor een groep, dan hoeft er niet te worden ingevaren).

Wel kan gesteld worden dat: a/ tot 2007 de meeste premies waren gebaseerd op een rekenrente van 4% en dat naar huidige maatstaven daardoor te weinig premie is betaald (betalen van deze aanspraken tegen de huidige rekenrente zou tot veel hogere premies leiden); b/ tot 2010 de toekomstig verwachte stijging van de levensverwachting niet verwerkt zat in de premie waardoor de premies destijds feitelijk te laag werden vastgesteld. Aanpassingen aan de gestegen levensverwachting werden dan ook uit de reserves betaald waardoor de dekkingsgraad bij elke aanpassing omlaag ging. Gemiddeld betekende dit vanaf de start tot de invoering van de prognosetafels (waarbij in tegenstelling tot de sterftetafels wel rekening wordt gehouden met de toekomstige stijging van de levensverwachting) een jaarlijkse daling van de dekkingsgraad met circa 0,5%. De totale daling voor de grootste fondsen kan geschat worden op 25%. Dat had niet gehoeven als de premies meer kostendekkend waren vastgesteld.

5) Wat wordt bedoeld met: ‘in nieuw contract worden de risico’s gedragen tussen huidige en toekomstige generaties deelnemers en met gepensioneerden (intergenerationele risicodeling)’? Waarom ook toekomstige generaties, die nog geen premie hebben betaald of zelfs niet zijn geboren?

Er wordt bedoeld dat risico’s ook met toekomstige premie-inleg (van huidige en ook (beperkt) toekomstige generaties worden gedeeld. Dat verlengt de beleggingshorizon van de beleggingen en levert welvaartswinst op. Voor alle generaties. (Eén van de redenen dat wij voor behoud van solidariteit zijn)

6) Klopt het dat de solidariteitsreserve leeg van start gaat en dat vulling van de reserve ten koste gaat van het toe te delen rendement, vooral in de eerste jaren?

Nee, dat is afhankelijk van de afspraken die tussen de contractpartijen worden gemaakt over de reserve bij aanvang, de vulregels en de toedelingsregels uit de reserve.

7) Waarom moeten gepensioneerden (via voeding uit overrendement) de reserve vullen?

De solidariteitsreserve levert in principe voor alle generaties profijt op. Afhankelijk van de uitdeelregels kan het zijn dat sommige generaties via deze reserve wat meer bijdragen aan het compenseren van pech van andere generaties, om zo pensioenuitkomsten dicht bij elkaar te houden. Maar ook dat hangt af van de regels die de contractpartijen afspreken. Als je de Solidariteitsreserve enkel vult uit premie-inleg uit de premies van werkenden, maar wel uitdeelt aan gepensioneerden, zou dat als onevenwichtig beschouwd kunnen worden.

8) Klopt het dat in het wetsvoorstel een ingroeipad wordt opgenomen naar het nieuwe stelsel na overleg met relevante partijen. Wie zijn dat? Ook de gepensioneerden?

Ja, dat staat in de HLN. Relevante partijen zijn vanzelfsprekend de verschillende stakeholders bij de regeling, maar ook de wetgever en de toezichthouder.

9) Is er sprake van lifecycle beleggen? Of is het virtueel lifecycle beleggen?

Het is geen lifecycle beleggen omdat de beleggingsmix top/down wordt bepaald. Bij lifecycle beleggen bouw je de beleggingsportefeuille van onderuit op, en tel je de individuele keuzes op tot een totaal beleggingsbeleid. Het uitdelen van het overrendement gaat op basis van risicodraagkracht.

10) Waarom moeten ouderen relatief veel beschermd worden tegen renteschokken? Kunt u toelichten hoe deze bescherming in zijn werk gaat? Kunt u uiteenzetten hoe de mate van bescherming tegen renterisico beïnvloed wordt door het systeem van ‘virtueel lifecycle beleggen’ of ‘leeftijdsafhankelijke toewijzing van overrendement’?

De hoogte van een pensioenuitkering is afhankelijk van de beweging in de rente. Dit kan worden opgevangen door in het vermogensbeheer beleggingen op te nemen die ook meebewegen met de rente (bijv. obligaties, hypotheken en renteswaps). Dit heet bescherming tegen renteschokken. Als de rente daalt, stijgt de waarde van deze beleggingen. Op deze manier heb je geen last van het duurder worden van pensioen. Deze bescherming kan los worden gezien van de ‘leeftijdsafhankelijke toewijzing van overrendement’. Ook bij een 100% bescherming van het renterisico kan er nog worden belegd in zakelijke waarden (aandelen, vastgoed ed). De mate waarin er daarnaast in zakelijke waarden wordt belegd is afhankelijk van de risicohouding van de pensioengerechtigden. Hoe meer zakelijke waarden hoe meer risico en dus ook meer positieve en negatieve rendementen naar de pensioengerechtigden wordt toegedeeld.

Het is ook mogelijk om de mate waarin er in zakelijke waarden wordt belegd ook tijdens de uitkeringsperiode nog af te bouwen. Bijvoorbeeld vanaf 80 jaar veel minder.

11) Kunt u toelichten hoe een hoog aandeel in vastrentende waarden de gepensioneerden beschermt tegen renterisico’s? Met name bij een stijgende rente?

Op het moment van pensionering is er sprake van een opgebouwd vermogen. Dit vermogen kan groeien of krimpen. Bij een belegging in vastrentende waarden, is de kans dat het vermogen ‘verdampt’ nihil: als ik een miljoen euro uitleen aan Nederland, dan krijg ik dat geld zeker terug. Bij een belegging in bijv. aandelen bestaat die garantie niet. Omdat de belegging in een staatsobligatie een vergoeding krijgt voor de rente, matcht die belegging met de renteontwikkeling. Bij hogere rentestanden kennen staatsobligaties een hogere rentevergoeding en bij lagere rentestanden kennen staatsobligaties een lagere rentevergoeding. De beweeglijkheid van de rente is met de belegging in de staatsobligatie ‘afgedekt’.
Ook bij een stijgende rente blijft de ‘prijs’ van pensioen gelijk. Een gepensioneerde wordt niet armer of rijker als de rente stijgt. Er kan voor gekozen worden om niet 100% af te dekken, maar bijvoorbeeld 80%. Hiervoor zou gekozen kunnen worden bij verwachting van een rentestijging. De ervaring leert echter dat rentestijgingen of –dalingen niet te voorspellen zijn.

12) Deelnemers met lange horizon hebben veel risicodraagkracht en krijgen dus een groter deel van het overrendement. Waarom mogen gepensioneerden ook niet meer risico lopen en meer meedelen voor een hogere uitkering? Is het niet zo dat in de huidige tijd, met lage rente, beleggingen in vastrentende waarden meer risico lopen dan beleggingen in zakelijke waarden?

Allereerst wordt het beschermingsrendement toegekend. Dat is feitelijk de vastgestelde renteafdekking. Voor ouderen zal meer renteafdekking gehanteerd worden en voor jongeren minder. Het beschermingsrendement wordt toebedeeld naarmate deelnemers er gebruik van maken. Dus ouderen krijgen een groter deel van het beschermingsrendement toegewezen en jongeren krijgen een kleiner deel van het beschermingsrendement toegewezen. De mate van renteafdekking is ook afhankelijk van de risicohouding van de deelnemers aan het fonds. Daarin heeft het fonds dus in afstemming met de deelnemers ook regelruimte.

Vervolgens wordt er gekeken naar het totale rendement van het fonds in dat jaar, minus het beschermingsrendement. Dit wordt het overrendement genoemd (feitelijk het rendement op zakelijke waarden als aandelen en vastgoed). Dit overrendement wordt zodanig toegedeeld dat voor alle leeftijdscohorten de vervangingsratio’s (ofwel de ambitie van de regeling) zoveel mogelijk gelijk is. In de praktijk zal dat er op neer komen dat jongeren een groter deel van het overrendement krijgen toebedeeld en ouderen een kleiner deel van het overrendement. Dat geldt zowel voor positieve als voor negatieve rendementen. Door ouderen relatief veel beschermingsrendement te geven en relatief minder overrendement, wordt gezorgd voor stabiliteit in de uitkeringen. Het beschermingsrendement verkleint de kans op kortingen, het overrendement vergroot de kans op indexaties.

Afhankelijk van de risicohouding van de pensioengerechtigden kan er meer of minder risicovol voor hen worden belegd. Hoe risicovoller, hoe groter de uitslagen naar boven en naar beneden zullen zijn.

Het fonds kan er ook nog voor kiezen om het toedelen van (positieve en negatieve) overrendementen te spreiden in de tijd, bijv. 5 of 10 jaar. Dit zorgt ook voor minder fluctuaties in de uitkeringen.

Hiernaast kent het fonds nog een Solidariteitsreserve. Uit het overrendement, bijvoorbeeld in jaren met een hoog overrendement, kan een deel worden overgeboekt naar deze reserve. In jaren met een onderrendement kan dan uit deze reserve worden aangevuld, desgewenst naar de leeftijdscohorten met laagste (verwachte) pensioenen. Ook dat zorgt voor extra stabiliteit in de uitkeringsfase.

13) Op welk moment kunnen deelnemers en gepensioneerden zelf invloed uitoefenen op hun risicohouding? Wordt de risicohouding van gepensioneerden een verplichte winkelnering per fonds?

Het fonds zal de risicohouding van de deelnemers moeten vaststellen en op basis daarvan een beleggingsbeleid. Het ene fonds kan in overleg met de deelnemers zo tot ander beleggingsbeleid komen dan het andere fonds. Afhankelijk van de regels die contractspartijen opstellen zit daarbinnen meer of minder ruimte voor persoonlijk maatwerk.

14) Waarom worden mee- en tegenvallers in de uitkeringsfase uitgesmeerd over 10 jaar. Waarom 10 jaar? Kan het ook korter?

Dat blijkt voor stabiliteit en beperken van eventuele kortingen op basis van eerste berekeningen een verstandige termijn, maar korter mag ook. Dat is fondsafhankelijk.

15) Waarom komt er naast de spreiding van de toedeling over 10 jaar en het aanhouden van een solidariteitsreserve ook nog een verplichting om oudere generaties disproportioneel bloot te stellen aan laag renderende obligaties?

Dat geeft meer zekerheid en stabiliteit. Zie het antwoord op vraag 10.

16) Hoeveel verschillende projectierendementen zal een groot pensioenfonds moeten aanhouden om recht te doen aan de toewijzing van rendement per leeftijdscategorie?

Daar dient het projectierendement niet voor. In principe kan 1 projectierendement volstaan, maar naar verwachting zal voor verschillende doelen een andere mate van prudentie worden gehanteerd. Ook dat is aan het fonds (de contractspartijen).

Het lijkt verstandig dat fondsen voor de opbouw- en de uitkeringsperiode verschillende mate van prudentie hanteren. Dat heeft op de hoogte van het totale pensioen geen invloed. Dat wordt bepaald door de werkelijke rendementen.

Er is sprake van één set aan parameters. Die parameters beschrijven onder andere de verwachte inflatie, de verwachte loonontwikkeling, de verwachte renteontwikkeling, uitgesplitst naar verschillende looptijden en de maximaal te verwachten rendementen op diverse beleggingscategorieën zoals obligaties, credits, aandelen, vastgoed enz. Op basis van deze parameters kan het projectierendement worden vastgesteld.

17) Hoe hoog is het projectierendement voor gepensioneerden? Of wat is de bandbreedte? Hoe hoog is het maximale projectierendement?

In de uitkeringsfase is van belang dat de deelnemer die met pensioen gaat een jaarlijkse uitkering uit zijn eigen vermogen krijgt. De ‘uitkeringssnelheid’ van dit eigen vermogen op pensioendatum is afhankelijk van een aantal elementen: 1/ het op pensioendatum in totaal vergaarde kapitaal (hierbij moet rekening worden gehouden met de nog verwachte rendementen gedurende de pensioenperiode); 2/ de resterende levensverwachting (hierbij moet rekening worden gehouden met verwachte veranderingen gedurende de pensioenperiode).

Bijvoorbeeld: op pensioendatum is – inclusief het nog verwachte rendement – een totaal kapitaal beschikbaar van € 100.000 en de gemiddelde levensverwachting op pensioendatum is 20 jaar. Dan kan elk jaar een uitkering van € 5.000 worden uitgekeerd als het verwachte rendement 0% is. Als het feitelijk rendement in enig jaar hoger is dan het verwachte rendement, kan de uitkering geïndexeerd worden. Als het feitelijke rendement in enig jaar lager is dan het verwachte rendement, moet de uitkering verlaagd worden. Hoe hoger het ingerekende verwachte (projectie)rendement, hoe hoger de uitkering waarmee gestart wordt. Maar ook hoe kleiner de kans dat er geïndexeerd kan worden en hoe groter de kans dat er gekort moet worden.

Andersom, hoe lager het ingerekende (projectie)rendement, hoe lager de uitkering waarmee gestart wordt. Maar ook hoe groter de kans dat er geïndexeerd kan worden en hoe lager de kans dat er gekort moet worden. Uiteindelijk gaat het om de verdeling van het eigen kapitaal van de deelnemer over de resterende (verwachte) levensjaren. Het gaat om verwachte levensjaren, omdat iedereen een levenslange uitkering geniet, ongeachte de leeftijd die iemand bereikt. Overigens geldt voor het projectierendement in de uitkeringsfase dat daarbij wettelijk bepaald wordt dat de blootstelling aan aandelenrendement niet groter mag zijn dan 35%.

18) Waarom gaat u het beschermen tegen renterisico bepalen op basis van RTS van DNB, die is toch vervallen?

De marktrente blijft wel bestaan (en die blijft ook nog wel even laag), maar we hebben geen rekenrente (daarop gebaseerd) meer nodig om aanspraken te verdisconteren. Het politieke issue van de herverdeling als gevolg van veranderingen in rekenrente is straks verleden tijd.

19) Wat is precies het belang van de ‘rekenrente’ volgens het FTK, in relatie tot het invaren in het nieuwe stelsel?

Er zijn straks meerdere mogelijkheden om in te varen. In de HLN worden twee methoden genoemd. De VBA methode heeft meer regelmogelijkheden voor maatwerk. Maar de standaardmethode mag ook. In beide gevallen speelt marktwaardering een rol, maar niet alleen.

20) Kan uitgelegd worden met een voorbeeld dat na het intreden van de pensioendatum vanuit het gereserveerde vermogen een uitkering wordt genoten door periodiek een stukje uit dit vermogen te onttrekken op basis van een prudent projectierendement? Er is dus geen sprake van inkopen van uitkering voor gehele periode?

Er is inderdaad geen sprake meer van het inkopen van een annuïteit, maar –dankzij het collectief, blijft er wel sprake van een levenslange uitkering. Zie het antwoord bij vraag 16.

21) Als onttrekking plaatsvindt op basis van een lagere rente dan het projectierendement, kan dan nog wel het ambitieniveau van de uitkering worden gehaald?

Ja, dat zit ingebakken in de afspraken die sociale partners maken. Zie het antwoord bij vraag 16.

22) Kunnen wij een uitgebreide toelichting krijgen over de verdeling van het per deelnemer gereserveerde vermogen over de uitkeringsfase aan de hand van projectierendement?

Zie het antwoord bij vraag 16.

23) Kunt u toelichten wat er gaat gebeuren met de hoogte van het wettelijk begrensd cf. systeem van art. 63a lid 4 PW?

Ik neem aan dat lid 3 van art. 63a van de Pensioenwet wordt bedoeld, daar dit over de hoogte van een variabele uitkering gaat. Dat lid luidt:
“De hoogte van een variabele uitkering kan ook variëren door een, uiterlijk op de ingangsdatum van het pensioen vastgestelde, periodieke vaste daling of vaste stijging van de uitkering. De periodieke vaste daling bedraagt ten hoogste 35% van het verschil tussen de parameter voor aandelenrendement en de risicovrije rente.”

Dat betekent dat bij een projectierendement kan worden uitgegaan van een rendement op een portefeuille met maximaal 35% aandelen. Het feitelijke rendement is echter bepalend voor de bijtellingen als gevolg van rendementstoebedeling.

24) Waarom wordt er bij het ‘invaren’ gekozen voor een mijlpalensysteem dat heel dwingend is?

Omdat het niet wenselijk is dat de transitiefase te lang duurt en tegelijkertijd ruimte moet worden geboden aan fondsen om zelf stap voor stap de transitie te doorlopen. Verschillen in snelheid kunnen ook voor vervelende situaties zorgen bij overstap naar een andere werkgever. En ook bij situaties als overlijden en scheiding waarbij de (voormalige) partners deelnemer zijn bij verschillende fondsen.

25) Waarom is besloten om de rekenrente te laten vervallen die in het eerste akkoord stond?

Omdat het met de RTS (en nieuwe ufr) niet haalbaar bleek de afgesproken doelen uit het akkoord te realiseren.

26) Komt de rekenrente op één of andere wijze nog aan de orde, of zijn discussies over rekenrente definitief verleden tijd?

Voor partijen die overstappen op het nieuwe contract is deze discussie verleden tijd. Voor fondsen die (deels) gemotiveerd kiezen oude rechten te handhaven blijft de rekenrente relevant.

27) Wat is het karakter van de solidariteitsreserve: is het om schokken op te vangen of voor het bereiken van de vervangingsratio? Graag een uitgebreide toelichting. Waarom moeten de regels van het nieuwe contract ook voor bestaande rechten gelden?

Een uitgebreide beschrijving van het karakter van de Solidariteitsreserve is helaas niet mogelijk, omdat fondsen/sociale partners veel vrijheid krijgen om dat passend in te vullen. Passend in de zin van passend bij de wensen (de risicohouding) van de deelnemers van het fonds en van de sociale partners die betrokken zijn het cao-overleg. Het karakter van de solidariteitsreserve wordt dus bepaald door sociale partners en het pensioenfonds.

Er kunnen keuzes gemaakt worden in de volgende variabelen:
De gewenste uiteindelijke hoogte van de Solidariteitsreserve: waarbij geldt dat de SR niet negatief mag zijn en dat de maximale omvang is begrensd op 15% van het fondsvermogen.
De vulregels: vullen mag zowel uit premie [met een maximum van 10% van de premie] als uit overrendement [met een maximum van 10% van het overrendement].
De uitdeelregels: er kan gekozen worden om jaarlijks een vast deel van de SR (bijv. 1/10 of 1/15) uit te delen of om alleen te putten uit de SR als er in enig jaar sprake is van een negatief overrendement. Er kan gekozen worden om gelijkmatig aan iedereen uit te keren (daarbij krijgt iedereen een percentage van opgebouwde kapitaal). Ook kan gekozen worden voor een vast bedrag in euro’s voor alle deelnemers. En het is ook mogelijk om gericht toe te delen zodat de vervangingsratio’s van alle leeftijdscohorten zo veel mogelijk gelijk blijven.
De regels van het nieuwe contract moeten ook voor bestaande rechten gelden, omdat we willen dat gepensioneerden ook kunnen profiteren van de voordelen van het nieuwe contract. Voor niet-gepensioneerden is het van belang dat de rendementen ook kunnen worden toegedeeld aan de door hen reeds opgebouwde rechten.

28) Welke onderbouwing is nodig om af te wijken van invaren?

Dan moet aangetoond worden dat het niet in het belang is van de deelnemers om in te varen. Dat kan bijv. het geval zijn bij fondsen die nog een bijstortverplichting kennen. Die verplichting gaat verloren bij invaren. Of voor gesloten pensioenfondsen die geen actieve pensioenopbouw meer kennen. Verder zijn er niet veel situaties te bedenken. Niet invaren betekent bijv. dat er een aparte premie betaald moet worden om compensatie afschaffen doorsneesystematiek te financieren.

29) Wat zijn de regels voor fondsen die niet invaren?

Voor fondsen die niet invaren blijft het nFTK (nieuw Financieel Toetsings Kader) van kracht. De fiscale ruimte die nodig is voor bijvoorbeeld bijstortingen en/of onttrekkingen door de werkgever blijft voor de opgebouwde pensioenrechten gehandhaafd. Het nFTK bepaalt de regels rond dekkingsgraad, benodigde buffers, korten en indexeren. Het is overigens mogelijk dat de nFTK regels verder worden aangescherpt. Fondsen die niet invaren worden immers gesloten fondsen, zonder actieve deelnemers en zonder premie-inleg. Dus bijv. herstel uit premie is niet langer mogelijk. Ook verandert (op termijn) de beleggingshorizon omdat de achtergebleven deelnemers steeds ouder worden. Die kortere beleggingshorizon kan ertoe leiden dat DNB op enig moment besluit tot strengere regels voor bijv. herstelplannen, zodat de laatst overblijvende deelnemers niet getroffen kunnen worden door een buitensporige korting.

30) Wat zijn de regels voor gesloten fondsen: blijven die vallen onder het huidige FTK-regime met RTS? Wordt dat FTK daarvoor nog aangepast? Is het vasthouden aan FTK bij niet invaren niet een juridisch kwetsbare manier van overheidshandelen?

Zie het antwoord op vraag 29.

31) Wat is ‘navigatiemetafoor’?

De navigatiemetafoor is het plaatje waarmee pensioenfondsen laten zien hoe hoog de verwachte pensioenuitkering later zal worden. Daarbij worden drie scenario’s getoond, het mediane scenario (hoe hoog wordt het pensioen naar verwachting) met daarnaast een negatief en een positief scenario waarbij de uitkering (veel) lager of (veel) hoger kan uitvallen. Pensioenuitvoerders gebruiken deze navigatiemetafoor al op dit moment.

32) Waarom wordt er gekozen voor het ‘Prudent person-beginsel’?

Dit beginsel is nu ook al van kracht. Dit beginsel ‘dwingt’ het pensioenfonds om te beleggen in het belang van de deelnemers. Hiermee wordt voorkomen dat fondsen te risicovol of juist te voorzichtig beleggen. Beide (te risicovol of te voorzichtig) kan ertoe toe leiden dat de uitkering te veel gaat afwijking van de ambitie.

33) Wordt art. 83 PW art. 20a over het individueel bezwaarrecht afgeschaft? Zo ja, waarom? Waarom wordt in de notitie niets hierover gezegd?

Het individueel bezwaarrecht wordt niet afgeschaft, maar tijdelijk buiten werking gesteld tijdens de transitie naar het nieuwe stelsel. Voor alle andere aandachtsgebieden blijft het individueel bezwaarrecht bestaan waar dat nu ook al het geval is. De opschorting dient om te voorkomen dat er een splitsing ontstaat tussen deelnemers die wel over willen stappen naar het nieuwe contract en deelnemers die dat niet willen. Dat zou fondsen dwingen om twee regelingen uit te voeren waarbij voor het nieuwe contract een nieuw fonds wordt opgericht. Dat leidt tot gescheiden administraties, gescheiden vermogens (en gescheiden beleggingsportefeuilles) en gescheiden communicatie. Dit leidt tot complexiteit en kostenstijging.

Als waarborg tegen de opschorting van het individueel bezwaarrecht wordt het collectieve recht versterkt: Het Verantwoordingsorgaan (of in geval het Belanghebbendenorgaan) heeft al versterkt adviesrecht bij collectieve waardeoverdracht. De overgang naar het nieuwe contract zal worden beschouwd als een (interne) collectieve waardeoverdracht waarmee het VO moet instemmen. Er wordt nauwgezet voorgeschreven wat het pensioenfonds moeten laten zien aan het VO: een transitieplan waarin bijv. is opgenomen welke waarderingsmethode is gekozen voor het invaren. Het fonds moet door middel van berekeningen laten zien dat deze omzetting van aanspraken in kapitalen evenwichtig uitpakt voor alle leeftijdscohorten. Iets soortgelijks geldt voor de compensatie afschaffen doorsneesystematiek: ook hier moet de evenwichtigheid voor alle leeftijdscohorten door middel van berekeningen aangetoond worden. Ook een communicatieplan maakt onderdeel uit van het transitieplan, zodat het VO kan beoordelen of de deelnemers volledig, juist, tijdig en begrijpelijk geïnformeerd worden over alle veranderingen.

34) Wat is de juridische onderbouwing van de opmerking dat bestaande rechten in beginsel worden omgezet naar het nieuwe contract? Wat zijn volgens de minister de grootste juridische risico’s?

Wij willen niet voor de minister spreken… De grootste risico’s op juridisch gebied zijn: a/ is er sprake van onteigening; b/ is er sprake van gelijke behandeling (bijv. geen onderscheid naar leeftijd) c/ het risico op het niet mogen handhaven van de verplichtstelling. Alle juridische risico’s zijn uitgebreid besproken in het speciaal daarvoor ingerichte Werkverband met daarin vertegenwoordigers van vakbonden, werkgevers, ministerie, Pensioenfederatie, Verbond van Verzekeraars en onafhankelijke hoogleraren. Er zijn daarnaast nog verschillende hoogleraren geraadpleegd. De Raad van State is om advies gevraagd. Er is informatie ingewonnen bij het Europees Hof van Justitie. De slotconclusie is dat er geen onoverkomelijke juridische bezwaren zijn tegen het nieuwe contract. Ingaande op de eerder genoemde aspecten: a/ onteigening: er is geen sprake van onteigening, want de aanspraken worden omgezet in een persoonlijk kapitaal; b/ het risico op ongelijke behandeling is ondervangen doordat de overheid specifiek gaat voorschrijven waaraan een transitieplan moet voldoen (met intern toezicht van Verantwoordingsorgaan, Raad van Toezicht en extern toezicht van DNB en AFM); c/ de ingebouwde solidariteit en collectiviteit is ruim voldoende om handhaving van de verplichtstelling voor het nieuwe contract overeind te kunnen houden.

35) Is het invaren in beginsel bij wet verplicht omdat de maatregelen rondom het invaren deel uitmaken van het wettelijk transitiekader. Is daarmee invaren in beginsel bij wet verplicht?

Nee, invaren wordt niet expliciet verplicht. Enerzijds vanwege de contractsvrijheid van sociale partners. Anderzijds kunnen fondsen, die kunnen aantonen dat invaren niet in het belang is van de deelnemers, in het oude stelsel blijven. Dat zou bijv. het geval kunnen zijn bij gesloten fondsen met een bijstortverplichting. Die verplichting zou vervallen bij invaren. Nieuwe opbouw binnen de huidige FTK regels is echter in beginsel niet langer mogelijk, dus voor toekomstige opbouw moet gebruik gemaakt worden van een premieregeling.

36) Is invaren in strijd met het eigendomsrecht als het gaat om bestaande rechten en aanspraken? Waarop is de stelling gebaseerd dat het wettelijk transitiekader een juridisch sluitende onderbouwing is voor het gebruik van het transitiepad?

Zie het antwoord op vraag 34.

37) Wordt door de minister erkend dat er een procesrisico is? Zo nee, op grond waarvan niet? Graag een uitgebreide toelichting van de minister.

Daarvoor moet je bij de minister zijn. Ik kan niet in zijn plaats antwoorden. Onze conclusie als FNV is dat er altijd een restrisico is, maar dat wij voldoende vertrouwen hebben in de gemaakte afspraken.

38) Wat is het karakter van uitspraken van de onafhankelijke transitiecommissie: zijn deze bindend en derhalve arbitrage? Is er dan nog een gang naar de rechter mogelijk?

De precieze vormgeving van de transitiecommissie moet nog plaatsvinden. Overigens is het een commissie bestaande uit vertegenwoordigers van werkgevers en vakbonden, met een onafhankelijk voorzitter. In eerste instantie zal de rol vooral bemiddelend zijn. Maar op enig moment kan er sprake zijn van arbitrage: fondsen moeten nu eenmaal op enig moment de overstap maken naar het nieuwe wetgevende kader.

39) Welke rekenmethoden en parameters worden voorgeschreven bij het invaren? Kunnen meer details gegeven worden i.p.v. alleen woorden? Komen hier de RTS en cie. parameters weer om de hoek kijken? Graag ontvangen wij concrete uitwerking en voorbeelden.

Pensioenfondsen kunnen kiezen uit twee methodes voor het omzetten van oude aanspraken in kapitaal in het nieuwe stelsel. Beide waarderingsmethodes zijn technisch complex. Ik ga mijn uitleg ietwat eenvoudig proberen te houden: Bij de overgang naar het nieuwe stelsel moeten ‘aanspraken’ omgezet worden in ‘kapitaal’. Daar is een waarderingsmethode voor nodig. De huidige aanspraken zijn gebaseerd op de risicovrije rente. Die wordt dan ook gebruikt bij de waarderingsmethode. Daarbij geldt: hoe lager de risicovrije rente, hoe meer kapitaal je nodig hebt om de aanspraak te financieren. Dus bij de huidige lage rentestand is er per euro aanspraak veel kapitaal beschikbaar (daarom zijn de vermogens van de fondsen verdubbeld terwijl de dekkingsgraad hetzelfde bleef: per euro aanspraak was steeds meer kapitaal nodig).

Bij de Standaardmethode (ontwikkeld door Netspar) wordt de aanspraak dus vertaald naar kapitaal op basis van de risicovrije rente. Vervolgens wordt gekeken naar de huidige DG (dekkingsgraad) van het fonds: is de DG 100% dan kunnen de aanspraken precies omgerekend worden naar kapitaal met gebruik van de risicovrije rente. Is de DG hoger dan 100%, dan wordt de buffer verdeeld over alle deelnemers. Is de DG lager dan 100%, dan wordt het tekort verdeeld over alle deelnemers. Daardoor begin je in het nieuwe stelsel als het ware altijd met een dekkingsgraad van 100%. De Standaardmethode houdt daarbij wel enigszins rekening met de verdeelregels zoals die nu bestaan in het FTK, namelijk het uitspreiden van overschotten of tekorten over 10 jaar. Bijv. een fonds heeft nu een DG van 90%. Dan krijgt elke deelnemer een afslag op zijn kapitaal van 10%. Die bijschrijving of korting wordt wel uitgesmeerd over 10 jaar. Maar omdat kortingen gespreid worden over 10 jaar, wordt ook gekeken naar de resterende levensverwachting. Iemand van 85 jaar heeft theoretisch bijv nog maar één jaar te leven, dus hij krijgt slecht 1/10 deel van de korting (1%). Bij overschotten gebeurt iets soortgelijks. De oudste groep krijgt dus een relatief kleiner deel van de overschotten of tekorten krijgt.

De andere methode, VB-ALM, is te complex om in enkele zinnen uit te leggen. Grondslag voor het omzetten van aanspraken in kapitaal blijft ook hier de risicovrije rente. Vervolgens speelt de huidige DG ook hier een rol. Maar VB-ALM kijkt ook naar 2.000 mogelijke toekomstige economische scenario’s en welke impact die onder het oude stelsel zouden hebben gehad op korten en indexeren. Daar wordt een gemiddelde ‘uitkering’ uit berekend die iemand zou hebben gekregen als we in het FTK stelsel zouden zijn gebleven. Die geprojecteerde toekomstige uitkering/aanspraak wordt vervolgens omgerekend naar het bijbehorende kapitaal dat iedere deelnemer op zijn naam krijgt. VB ALM beoogt dus het kapitaal zodanig vast te stellen dat de verwachte uitkering op overgangsdatum zo min mogelijk afwijkt van wat verwacht mocht worden onder het oude stelsel. Voor het berekenen van de toekomstige economische scenario’s wordt uitgegaan van de zogenaamde URM-set die ook is voorgeschreven door DNB bij de berekeningen van de Haalbaarheidstoets die fondsen nu jaarlijks moeten uitvoeren.

Voor concrete uitwerking en voorbeelden is voor ons te weinig tijd.

40) Welk bezwaarrecht wordt voorgeschreven voor de transitie? Indien er geen bezwaarrecht wordt vastgesteld waarom niet? Wordt art. 83 en art. 20 PW afgeschaft met het individueel bezwaarrecht?

Zie het antwoord op vraag 33 en 34.

41) Welke argumentatie onderbouwt het schrappen van een bepaling die de rechten tegen onteigening beschermt? Is dit in lijn met IORP II?

Zie het antwoord op vraag 33 en 34.

42) Kunnen meer details gegeven worden over de zgn. collectieve waardeoverdracht? Met voorbeelden.

Zie het antwoord op vraag 40.

43) Wat is een onevenredig nadeel van de transitie en hoe wordt deze bepaald? Graag een overzicht van de criteria en de gevolgen hiervan. Wanneer is invaren niet proportioneel? Welke criteria worden hierbij gehanteerd? Wat zijn de gevolgen als niet wordt ingevaren? Is dit onderzocht? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van dit onderzoek en zo nee, waarom niet?

Zie ook de antwoorden bij vraag 28, 29, 33 en 34. Het voornaamste effect van niet-invaren is dat de oude opgebouwde rechten achterblijven in het oude, gesloten fonds. Hiervoor blijven de nFTK regels voor korten en indexeren van toepassing. Snellere indexatie die beoogd wordt in het nieuwe stelsel is dan enkel mogelijk voor de nieuwe opbouw. Voor de oude aanspraken geldt – bij veel fondsen – een grote kortingsdreiging.

Een ander effect van niet-invaren is onder meer dat compensatie van afschaffen doorsneesystematiek door de ‘dubbele transitie’ dan niet mogelijk is. De compensatie moet dan separaat uit extra premies gefinancierd worden.

44) Wat is de manier van omrekening van het kabinet van bestaande aanspraken en rechten naar het nieuwe contract? Wat is de technische invaarmethode? Graag een volledige toelichting hierop. Voldoet de methode aan de beginselen van redelijkheid en billijkheid? Wordt hierbij voorkomen dat de huidige generatie gepensioneerden een pechgeneratie is?

Zie voor de techniek van het invaren het antwoord op vraag 40. Zie voor de toets op redelijkheid en billijkheid het antwoord op vraag 33.

Voor de huidige generatie gepensioneerden geldt dat over het volledig opgebouwde pensioen overgestapt wordt van nFTK naar het Nieuwe Contract. Dat betekent afstappen van oude regels rond korten en indexeren. Invaren leidt voor de meeste gepensioneerden tot een lagere kans op grote kortingen (bij fondsen die nu lage dekkingsgraden hebben) en grotere kans op indexaties in de toekomst.

45) Erkent de minister dat zonder duidelijkheid een afgewogen oordeel over wel of niet invaren onmogelijk is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat de minister hieraan doen?

Vragen aan de minister zouden ook door de minister beantwoord moeten worden.

Als FNV hebben wij voldoende vertrouwen in de afspraken dat een afgewogen oordeel over wel of niet invaren mogelijk is: de juridische aspecten zijn in beeld gebracht, de waarderingsgrondslagen voor omzetten van aanspraken in kapitaal zijn grondig besproken en onderbouwd, en de verplichting voor een uitgebreid transitieplan – inclusief versterkt adviesrecht voor het Verantwoordingsorgaan – met daarin opgenomen een afgewogen communicatieplan wordt wettelijk vastgelegd.

46) Waarop is gebaseerd dat gepensioneerden mee moeten betalen aan de reserve? Graag een toelichting van de minister voor deze keuze.

Vragen aan de minister zouden door de minister beantwoord moeten worden.

De sociale partners en pensioenfondsen hebben keuzevrijheid hoe ze de Solidariteitsreserve zouden willen vullen. Dat kan zowel uit premie als uit overrendement. Overigens is er wel een samenhang tussen het vullen en uitdelen van de Solidariteitsreserve. Uit berekeningen blijkt wel dat de Solidariteitsreserve gemiddeld leidt tot hogere uitkeringen.

47) Kunnen meer in detail en cijfermatig de gevolgen van de twee methoden (Vba en de Standaardmethode) worden aangegeven en kan er een vergelijking worden gemaakt?

Zie het antwoord op vraag 40.

48) Welke rentes en rendementen worden gekozen bij de bij vraag 47 genoemde waarderingsmethoden? Hoe worden deze bepaald en door wie?

Zie het antwoord op vraag 40.

49) Kan nadere uitleg worden geven over de zin: ‘De overheid zal de niet fonds specifieke veronderstellingen voorschrijven’? Wordt dit weer een soort dwingend FTK? Speelt de DNB hierbij een rol en zo ja, welke?

Dit is niet een soort FTK, maar is meer vergelijkbaar met de parameterset. De overheid schrijft voor dat URM gebruikt moet worden bij de prognoses voor toekomstige economische scenario’s. De fonds specifieke zaken zijn bijv. leeftijdssamenstelling, levensverwachting, man/vrouw verhouding, vastgestelde premie etc. Het voordeel van de URM (Uniforme Reken Methode) is dat de uitslagen van fondsen met elkaar vergeleken kunnen worden. Dit is ook belangrijk voor deelnemers die tussentijds overstappen op een ander fonds (verandering van werk bijv) of voor partners van deelnemers die deelnemer zijn bij een ander fonds (bijv. bij overlijden of bij echtscheiding).

50) Kan nadere uitleg worden gegeven hoe het volgende mechanisme in zijn werk gaat: ‘Bij de standaardmethode wordt een aanwezig tekort of overschot binnen het huidig FTK verdeeld door een korting of opslag vast te stellen die gedurende 10 jaar zou worden toegepast. Voordeel is eenvoudig, transparant. Die methode heeft ook een prijs omdat wordt aangesloten op de verdeelregels van het huidige FTK’?

Zie het antwoord op vraag 40 waar de techniek van de Standaardmethode besproken wordt.

51) Kan de minister uitleggen waarom de waardering van opgebouwde rechten in deze methode wordt bepaald door de verdeelregels van het huidige FTK dat juist in een nieuw contract wordt afgeschaft? Is het niet eerlijker en rechtvaardiger om eenieder de afgedragen premie en het rendement daarop te geven? Dat is toch ook de essentie van het nieuwe stelsel?

De huidige aanspraken zijn gebaseerd op het FTK, de nieuwe kapitaalopbouw verloopt volgens de regels van het nieuwe stelsel. Daarbij moet je wel de overstap maken van het ene systeem naar het andere systeem. Dus een overstap van ‘aanspraak’ naar ‘kapitaal’. De huidige lage rentestand zorgt er voor dat er per euro ‘aanspraak’ veel ‘kapitaal’ aanwezig is. Immers, hoe lager de rente, hoe meer kapitaal nodig is om een aanspraak waar te maken. Dat daarbij rekening wordt gehouden met de huidige indexatie- en kortingsregels zorgt er wel voor dat ouderen niet al te hard geraakt kunnen worden. Zie ook de toelichting bij vraag 40.

52) Kan informatie worden gegeven over de diverse juridische opvattingen die er bestaan? Welk juridisch advies heeft de doorslag gegeven? Wat is de opinie van de EU-commissie? Kan die worden gepubliceerd, of zijn hier al documenten over? Zo ja, kunnen deze worden gedeeld?

Zie het antwoord op vraag 34.

53) Kunt u bevestigen dat in een voetnoot over het eigendomsrecht wordt vermeld dat art. 17 van het Handvest van de Grondrechten van de EU tot een andere uitkomst zou leiden dan toetsing aan art. 1 EVRM? Kan in detail worden uitgelegd wat de verschillen zijn tussen het Handvest en EVRM en waarom er dus geen inhoudelijke wijzigingen zijn beoogd tussen de artikelen?

Zie het antwoord op vraag 34. En de betreffende bijlage bij de stukken die de minister heeft aangeboden aan de Tweede Kamer.

54) Kunt u voorbeeldberekeningen tonen van hoe persoonlijke pensioenen van gepensioneerden geraakt worden door de invoering van het nieuwe stelsel? Kunt u hierbij voorbeelden hanteren met een pensioenuitkering van omstreeks € 5.000 per jaar, € 10.000 per jaar en € 20.000 per jaar? Indien nee, waarom niet?

Nee, dat is niet mogelijk. Dat komt omdat de uitkomsten per fonds verschillen. Voor een verdere toelichting op de omrekenmethodieken, zie vraag 40.

Overigens moeten fondsen straks in hun transitieplan wel per leeftijdscohort en inkomensgroep aantonen wat de effecten zijn bij de overgang naar het nieuwe stelsel. Daarbij spelen zowel het omzetten van ‘aanspraken’ in ‘kapitaal’ een rol, als de compensatie voor het afschaffen van de doorsneesystematiek. Door middels van verzwaarde rechten krijgen de Verantwoordingsorganen een grote rol bij toetsen van de evenwichtigheid van de voorgenomen besluiten.

Er zijn al wel berekeningen gedaan met maatmensen van 13 fondsen om inzicht te krijgen in de verwachte pensioenen bij gebruik van verschillende stelsel (FTK, FTK zonder DSS, SER-variant, Verkenningsvariant). Die berekeningen tonen aan dat in de mediane economische scenario’s het nieuwe contract tot betere resultaten leidt voor alle huidige deelnemers. Deze berekeningen zijn ook ter beschikking gesteld aan het LP.

55) Kunt u voorbeeldberekeningen tonen van hoe opgebouwde pensioenrechten van deelnemers geraakt worden door de invoering van het nieuwe stelsel? Kunt u hierbij een breed spectrum aan voorbeelden leveren? Indien nee, waarom niet?

Nee, dat is niet mogelijk. Zie ook het antwoord op vraag 55.

Ik hoop met de antwoorden op deze vragen van dienst te zijn geweest. Als de minister straks dezelfde antwoorden geeft, kan ik mij niet voorstellen dat 50PLUS nog goede argumenten heeft om uiteindelijk tegen te stemmen.

Hartelijke groet,

Tuur Elzinga

 

© 3/4 juli 2020