Mondmasker - Beeld: PixabayDe tijdelijke noodwet Covid-19 is een met kunst- en vliegwerk samengestelde lappendeken, constateert senator Martin van Rooijen. “Dit heeft niet bijgedragen aan een essentieel onderdeel van wetgeving, namelijk dat voldoende draagvlak en begrip in de samenleving is ontstaan.”

Het is uitermate cynisch dat de Eerste Kamer gevraagd wordt in te stemmen met de noodwet Covid-19, terwijl de Eerste Kamer bij beslissingen over de te treffen maatregelen in die wet buitenspel wordt gezet. Dat betoogde senator Martin van Rooijen bij behandeling van de spoedwet in de Eerste Kamer. “Begrijpt mijn fractie het goed dat bij dit wetsvoorstel snelheid gaat voor zorgvuldigheid?”, vroeg hij de bewindslieden.

Slecht geformuleerd wetsvoorstel

Martin van Rooijen karakteriseerde de noodwet als ‘een ontluisterend slecht geformuleerd wetsvoorstel’ dat liefst drie keer door de Raad van State is teruggestuurd naar het kabinet. “Uiteindelijk, na de derde keer en na het implementeren van wel acht amendementen vanuit de Tweede Kamer, is het wetsvoorstel met een meerderheid van stemmen aangenomen door de Tweede Kamer”, schetste Van Rooijen het proces. “Het is met kunst en vliegwerk hersteld tot een soort lappendeken, maar dit heeft niet bijgedragen aan een essentieel onderdeel van wetgeving, namelijk dat voldoende draagvlak en begrip in de samenleving is ontstaan.”

Nood breekt wet

“Iedereen begrijpt dat nood wet breekt”, stelde de fractievoorzitter in de Eerste Kamer, “maar mijn fractie vraagt zich af of door het gemis aan overtuiging, het gemis aan eenduidigheid van regels en eenduidig beleid van de afgelopen maanden de regering nog slechts het machtsmiddel van dwang kan hanteren.” Martin van Rooijen vroeg in zijn inbreng in de Eerste Kamer ook aandacht voor de op leeftijd discriminerende maatregelen in de noodwet.

Lees ook: Waarom stemde 50PLUS in de Tweede Kamer voor de coronawet?


De volledige inbreng van fractievoorzitter in de Eerste Kamer Martin Rooijen bij het debat over de Tijdelijke wet maatregelen Covid-19:

“De afgelopen maanden krijgt Nederland net als andere landen het zwaar te verduren. De werkloosheid stijgt, de druk op het zorgpersoneel neemt toe nadat zij nog aan het bijkomen zijn van de eerste golf, het sterftecijfer in de verpleeghuizen loopt weer op. Eigenlijk staan er twee situaties tegenover elkaar, enerzijds de volksgezondheid en anderzijds de gezondheid van onze economie. En hoe vinden we nu de balans?

De 50PLUS-fractie in de Eerste Kamer is het eens met het standpunt dat de huidige maatregelen op den duur juridisch niet meer houdbaar zijn. Op de huidige noodverordeningen zit een zogenoemde juridische houdbaarheidsdatum.

Daarom is er door onze minister een tijdelijke wet ontworpen waarmee wordt getracht de juridische basis van de maatregelen te verstevigen. Zo op het eerste gezicht leek dat een goede stap in de richting van de bestrijding van het virus. Totdat de eerste versie van het wetsvoorstel op de tafel van de Raad van State kwam en deze na zeer kritische kanttekeningen werd teruggestuurd. De impact van de wet was te vergaand.

Dit gebeurde een tweede keer, een derde keer en uiteindelijk, na het implementeren van wel acht amendementen vanuit de Tweede Kamer, is het wetsvoorstel met een meerderheid van stemmen aangenomen door de Tweede Kamer.

Directe dreiging voor volksgezondheid
Het doel van de Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 is een wettelijke basis te creëren voor het tijdelijk inperken van verschillende grondrechten omdat het Covid-19 virus een directe dreiging oplevert voor de samenleving, met name voor de volksgezondheid in het algemeen.

Er zijn uitzonderingstoestanden waarin het besluit kan worden genomen dat kan worden afgeweken van de bevoegdheden van de besturen van provincies, gemeenten, openbare lichamen, zo schrijft art. 103 van de Grondwet voor. Overigens moet de Staten-Generaal altijd beraadslagen en besluiten omtrent het voortduren van deze toestand. Maar is de situatie waarin wij nu verkeren een uitzonderingstoestand?

Wat is maatgevend voor een directe dreiging voor de samenleving, is dat door Covid-19? Of hebben wij het nu over de verstrekkende gevolgen van de belasting die Covid-19 veroorzaakt op ons al zo kwetsbare zorgstelsel? Of hebben wij het nu over het ineenstorten van de economische bedrijvigheid, met alle gevolgen van dien? Is daar een eenduidig antwoord op te geven door de minister?

Noodtoestand
Welke spreekwoordelijke ‘belletjes’ moeten er gaan rinkelen om aan de noodrem te trekken. Kan deze noodtoestand meer specifiek gedefinieerd worden waardoor uiteindelijk gesteld kan worden dat wij spreken van een direct dreigende noodsituatie door Covid-19?

Is dat gebaseerd op het aantal coronabesmettingen of op het aantal ziekenhuisopnames, of op het aantal door corona besmette patiënten op de IC-afdeling, of is dat gebaseerd op het aantal geregistreerde personen dat overlijdt aan corona?

Want elke keer weer lopen deze vragen door elkaar heen, welke vraag is bepalend voor het uitroepen van een noodtoestand? Want de antwoorden van de minister zullen bepalend zijn voor de duur van deze tijdelijke wet. Graag een toelichting van de minister.

Maatregelen
Wordt er nagedacht over langere-termijn-consequenties? Mogelijke langere termijn oplossingen? Of levert de regering hier, keer op keer, een primaire reactie op een niet definieerbare ‘dreigende noodsituatie?’

Mijn fractie kreeg de afgelopen maanden de indruk dat niet regeren maar reageren het criterium was voor afkondiging van maatregelen.

Honderdduizenden bezorgde Nederlanders – iedere senator is overspoeld door een tsunami van mails – richten zich tot ons als volksvertegenwoordigers met de indringende oproep om een juiste belangenafweging te maken tussen bescherming van de gezondheid aan de ene kant en behoud van grondrechten aan de andere kant.

Al deze vragen spelen een grote rol in het zo benodigde draagvlak in onze maatschappij. Vele honderden e-mailberichten worden aan de senaat gestuurd met vragen hierover. En het is duidelijk, (zoals ook de minister-president aangeeft in zijn persconferenties) dat het draagvlak voor de maatregelen afbrokkelt. Hoe denkt de minister met deze wet in de hand de maatregelen dan straks af te gaan dwingen? Hoe staat het met de uitvoerbaarheid van deze tijdelijke wet maatregelen Covid-19? Waar gaan we de handhavers vandaan halen, zo vraagt de fractie van 50PLUS zich af?

Is de dreiging voor de samenleving van dien mate dat het gerechtvaardigd is om de volgende grondrechten te beperken; vrijheid van godsdienst, vrijheid van vereniging, vrijheid van vergaderen en betogen en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer(privacy) te doorbreken?

Kortom, is de dreiging van Covid-19 een dermate grote dreiging dat deze grondrechten mogen worden doorbroken? En kan de minister nog eens heel expliciet aangeven op welke gronden deze tijdelijke wet – als die wordt aangenomen – verlengd wordt, want als uitsluitend de omvang van het aantal besmette personen met het coronavirus daarvoor bepalend is zonder dat andere factoren daarbij een rol spelen – zoals gedwongen afschalen van reguliere zorg – is dat zeer zorgwekkend. Dan red je mogelijk het leven van een coronapatiënt maar overlijdt een andere patiënt door onthouding van broodnodige zorg.

Slecht geformuleerd wetsvoorstel
Dit ontluisterend slecht geformuleerde wetsvoorstel is na de derde bewerkte versie via broodnodige aangenomen amendementen in de Tweede Kamer uiteindelijk aangenomen.
Het is met kunst en vliegwerk hersteld tot een soort lappendeken, maar dit heeft niet bijgedragen aan een essentieel onderdeel van wetgeving, namelijk dat voldoende draagvlak en begrip in de samenleving is ontstaan.

Want iedereen begrijpt de zin ‘nood breekt wet’, maar mijn fractie vraagt zich af of door het gemis aan overtuiging, het gemis aan eenduidigheid van regels en eenduidig beleid van de afgelopen maanden de regering nog slechts het machtsmiddel van dwang kan hanteren.

Mijn collega Martine Baay heeft twee weken geleden hier het debat gevoerd over de CoronaMelder en was kritisch op de uitvoerbaarheid van deze wet door gebrek aan testmogelijkheden, testmateriaal en testcapaciteit. Ook bracht zij te berde het gevaar van schijnveiligheid. Thans is bekend dat velen in onze achterban die de app konden downloaden – niet op iedere mobiele telefoon is dat mogelijk – geheel ten onrechte in de veronderstelling verkeren dat deze app je waarschuwt als je langs een met Covid besmet persoon loopt. Dus als ware zou je via de telefoon een besmetting kunnen vaststellen. Daaruit blijkt wel dat de voorlichting van de werking van de app nog veel te wensen overlaat.

Schijnveiligheid
Terug naar dit wetsvoorstel, want ook hier dreigt het gevaar van schijnveiligheid die de te treffen noodmaatregelen mogelijk oproepen. Kunnen wij inderdaad door inperking van wezenlijke grondrechten dit virus verslaan? In landen zoals Frankrijk en Spanje waar maandenlang zeer zware restricties aan de bevolking werden opgelegd, ontstaan ook steeds opnieuw brandhaarden.

Welke specifieke verwachtingen heeft de minister van het gedwongen dragen van mondkapjes, 1½ meter afstand en mogelijk volledige lockdown die ook maar voor beperkte duur kan worden opgelegd?

Kan de minister ingaan op de stelling van filosoof Ad Verbrugge: ‘Ik zeg wel eens: er zijn twee pandemieën: het virus en de angst voor het virus’?

Leeftijd discriminerende maatregelen
50PLUS wil aandacht voor artikel 58 e, lid 1 sub a, de basis voor het differentiëren van de maatregelen, zo ook voor leeftijden.
Als deze wet in werking treedt, ontstaat er een brede bevoegdheid om voor aparte leeftijdsgroepen andere maatregelen te stellen. Onze fractie vraagt zich af of daardoor niet een tweesporen samenleving ontstaat? Immers, het nemen van dit soort maatregelen kan gecategoriseerd worden als leeftijdsdiscriminatie. Terwijl dit virus eenieder ongeacht de leeftijd kan treffen. Jong en oud.

Weliswaar kan voor de categorie senioren plus – de eind zeventigers en tachtigers of ouder – besmetting fataal aflopen, maar om specifieke maatregelen op te leggen aan iedere 60- of 70-jarige gaat mijn fractie veel te ver. Ook jongeren met Covid belanden in het ziekenhuis.

Kan de minister nog eens uiteenzetten waarom hij deze leeftijd discriminerende maatregelen noodzakelijk acht? Hoe denkt hij daaraan invulling te geven? Want de net aangehaalde groep senioren wil geenszins worden weggezet als zielig en kwetsbaar en willen dezelfde rechten hebben als hun jongere medemensen.

Democratische rechtsstaat
In de gezamenlijke commissievergadering van VWS, J&V en BiZa hebben de woordvoerders ingestemd met het nadere verzoek om advies aan de Raad van State na aanneming van het amendement Buitenweg c.s. over een instemmingsrecht van de Kamer op ministeriele regelingen.

De Raad van State heeft op 22 oktober haar visie hierop uitgebracht en de conclusie luidt dat het verdedigbaar is dat de bevoegdheid om met een ministeriële regeling in te stemmen alleen aan de Tweede Kamer wordt toegekend. Aan de Tweede Kamer wordt een grotere betrokkenheid toegekend bij vaststelling van gedelegeerde regelgeving dan aan de Eerste Kamer. Bovendien vindt controle door de Tweede Kamer pas achteraf plaats, de regelingen zijn al vastgesteld maar nog niet in werking getreden.

Met andere woorden: de Eerste Kamer wordt hierbij geheel buitenspel gezet. Vergt deze situatie niet juist dat wij moeten vertrouwen op de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat en de controle van de Staten-Generaal, dus ook van de Eerste Kamer?

Is dat niet noodzakelijk om vertrouwen en draagvlak te creëren binnen de samenleving?

De Raad van State rechtvaardigt het buitenspel zetten van de Eerste Kamer vanwege de te betrachten snelheid in bijzondere omstandigheden die bij bestrijding van het virus aan de orde zijn.

Opmerkelijk is de toevoeging in haar advies dat door buitensluiting van de Eerste Kamer het risico verkleind wordt dat een patstelling kan ontstaan tussen minister, Tweede Kamer en Eerste Kamer waardoor de slagkracht van het bestuur te zeer zou worden aangetast.

Begrijpt mijn fractie het goed dat bij dit wetsvoorstel snelheid gaat voor zorgvuldigheid? Dat mogelijk verschil van inzicht tussen Tweede Kamer en Eerste Kamer over rechtmatigheid van maatregelen opzij moet worden gezet om de ‘slagkracht’ van de minister niet in gevaar te brengen?

50PLUS is verbijsterd over deze aangevoerde rechtvaardigingsgronden want met kwade wil kun je die altijd aanvoeren voor ieder wetsvoorstel. Hoe verhoudt zich dit met het adagium ‘haastige spoed is zelden goed’?

Tot slot wil mijn fractie opmerken dat het uitermate cynisch is dat er hier van de Senaat wordt gevraagd om in te stemmen met een wet die het stemrecht van de Eerste Kamer over de straks te treffen maatregelen ontbeert.

Mijn fractie ziet uit naar een inhoudelijke en uitgebreide reactie van de minister op dit advies van de Raad van State en hoe hij hiermee om denkt te gaan.”

© 26 oktober 2020