Nederlanders woonachtig in het buitenland mogen niet stemmen voor de Eerste Kamer. 50PLUS is voor uitbreiding van het kiesrecht voor landgenoten in buitenland. Een wetsvoorstel maakt het mogelijk dat zij voortaan ook voor de Eerste Kamer hun stem uitbrengen. “50PLUS vindt het een goede ontwikkeling en is verheugd dat niet-ingezetenen de mogelijkheid krijgen om een stem uit te brengen”, aldus senator Martine Baay.

Rood potlood - Foto: SXCIn de Eerste Kamer werden twee gecombineerde wetsvoorstellen behandeld: ‘Het door niet-ingezetenen gekozen kiescollege voor de verkiezing van de Eerste Kamer’ en ‘Herijking Grondwetherzieningsprocedure’.

Lees hieronder de inbreng van senator Martine Baay bij de behandeling van deze twee thema’s:

“Momenteel is er voor Nederlanders woonachtig in het buitenland - de zogeheten niet-ingezetenen - geen mogelijkheid om te stemmen voor de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Het voorliggend wetsvoorstel maakt dat straks wel mogelijk.

Het stemproces zal worden aangepast zodat Nederlanders die in het buitenland wonen eenvoudiger hun stemrecht, ook in relatie tot de verkiezing van de Eerste Kamer, kunnen uitoefenen. Zij kunnen thans al deelnemen aan de verkiezingen van de leden van de Tweede Kamer en van de leden van het Europees Parlement. Dit wetsvoorstel is dus een uitbreiding van hun kiesrecht.

De 50PLUS-fractie vindt het een goede ontwikkeling en is verheugd dat niet-ingezetenen de mogelijkheid krijgen om een stem uit te brengen voor een nieuw Kiescollege dat vervolgens actief kan stemmen voor de verkiezing van de Eerste Kamer der Staten-Generaal tezamen met de provinciale staten en de kiescolleges in Caribisch Nederland.

50PLUS heeft in al haar verkiezingsprogramma’s gepleit om uitbreiding van het kiesrecht van Nederlanders in het buitenland en mijn fractie zal dan ook met veel genoegen voor dit wetsvoorstel gaan stemmen.

Mijn fractie heeft nog een paar vragen aan de minister.

Een ingezetene brengt zijn stem uit op een kandidaat voor de Provinciale Staten met het oog op het beleid wat deze kandidaat-statenlid voorstaat in zijn eigen provincie.
Hiermee heeft de ingezetene geen invloed op de uiteindelijke keuze die dit Statenlid zal gaan maken voor wat betreft de verkiezingen voor de Eerste Kamer.
Hij heeft dus niet het recht om net als een niet-ingezetene op een aparte kiesman te stemmen.

Kan de minister toelichten waarom in haar visie geen sprake is van ongelijke behandeling en ongelijke kiesrechten tussen ingezetenen en niet-ingezetenen?
Graag in dit antwoord ook de partijdiscipline meenemen die veelal geldt voor statenleden waardoor de discrepantie tussen de ingezetene en de niet-ingezetene eerder toe- dan afneemt.

50PLUS hoort graag van de minister of na invoering van de wet ook extra aandacht besteed gaat worden ten aanzien van de informatievoorziening die de betrokkenheid van de niet-ingezetene moet gaan vergroten. Immers om tot een weloverwogen keuze te komen van de niet-ingezetene is juiste informatievoorziening essentieel. Is de minister het eens met dit standpunt?”

Over het voorstel ‘Herijking Grondwetherzieningsprocedure’ zei Martine Baay in de Eerste Kamer:

“Met dit voorstel wordt beoogd dat de bestaande Grondwetsherziening wordt verduidelijkt en de behandeling van een grondwetsherziening sneller kan worden afgerond waardoor de looptijd aanzienlijk wordt verkort.

Concreet zou dit inhouden dat de Tweede Kamer, die wordt gekozen na de bekendmaking van de verklaringswet, het voorstel in tweede lezing overweegt.
Mocht deze nieuwe Tweede Kamer geen besluit hierin nemen dan is de strekking dat het grondwetsvoorstel van rechtswege zal vervallen.

In de memorie van antwoord geeft de minister haar visie op een vraag van de PvdD wat de concrete aanleiding is geweest om tot dit wetsvoorstel te komen.
‘De regering acht het inderdaad zeer onwenselijk als de regering en/of Tweede Kamer de behandeling van de tweede lezing zouden uitstellen met als achterliggende reden dat een «gunstiger» samenstelling van een volgende Tweede Kamer wordt voorzien.’

Mijn fractie is van mening dat dit geen achterliggende reden kan zijn om hiervoor een wetsvoorstel in te dienen. De kiezer bepaalt uiteindelijk het aantal zetels en oefent daarmee invloed uit op de samenstelling van de Tweede Kamer en de regering. Deelt de minister onze mening? En zo nee, waarom niet?

Daarnaast doet zich het volgende fenomeen voor. Is het niet zo dat ook het omgekeerde kan voorkomen na invoering van dit wetsvoorstel?
Dat een Kamermeerderheid de behandeling van een grondwetsherziening bewust vooruit zal gaan schuiven om hiermee het voorstel van rechtswege te laten vervallen. Immers art.9.29 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal schrijft voor: ‘om met bekwame spoed een besluit te nemen over een voorstel in tweede lezing’. Wat is bekwame spoed volgens de minister? En is deze spoed ook afdwingbaar? Zal dit te allen tijde kunnen voorkomen dat bewuste vooruitschuiven van een grondwetsherziening niet voorkomt?"

© 6 oktober 2020