Martine BaayDe inbreng van senator Martine Baay bij het debat over het toekomstbestendig maken van de publieke omroep:

“Mijn fractie is verheugd over de voordelen die dit wetsvoorstel met zich meebrengt waardoor de pluriformiteit van de omroep wordt verstrekt, er meer aandacht komt voor regionale programmering en stappen worden gezet voor vermindering van het reclame aanbod rondom kinderprogramma’s, iets waarvoor al heel lang gepleit wordt.

Ondanks deze positieve kanten zijn er nog wat bestaande zorgen en vragen vanuit 50PLUS.

Ik citeer uit het advies van de Raad van State: ‘De afdeling merkt op dat de verplichte aansluiting bij bestaande omroepverenigingen op gespannen voet staat met de gewenste pluriformiteit van het omroepbestel’.

In de Memorie van Antwoord d.d. 27 november jl. staat dat een aspirant-omroep zich om een volwaardige erkenning te verkrijgen dient aan te sluiten bij een al bestaande omroep. Maar volgens de regering betekent dat niet dat dit ten koste gaat van de pluriformiteit.

Want zo luidt de redenatie van de regering: ‘Ook binnen een samenwerkingsomroep kan een omroepvereniging zijn eigen identiteit behouden.’ Want: ‘De aspirant-omroep die zich aansluit bij een bestaande omroeporganisatie neemt ook budget mee, volgens de verdeling van het voorgestelde artikel 2.152 Mediawet 2008’.

Dan concludeert mijn fractie dat door het meebrengen van een budget door de aspirant-omroep blijkbaar gezien moet worden als een garantie, dat die daardoor zijn eigen identiteit behoudt. Maar dat is toch een zeer vreemde redenatie. Allereerst zal dit budget veel beperkter zijn dan die van een bestaande omroep zodat daardoor al een ongelijkwaardige verhouding bestaat.

Daarnaast zou het toch onwenselijk moeten zijn om de gewenste pluriformiteit van het omroepbestel te koppelen aan de beschikbare financiële middelen. Het meebrengen van geld is toch geen garantie voor een zelfstandige plek in het bestaande bestel?

Graag een reactie van de minister hoe hij het behoud van de eigen identiteit van de aspirant–omroep gekoppeld ziet aan inbreng van financiële middelen.

Ledeneis
De ledeneis is van 150.000 verlaagd naar 50.000 voor aspirant omroepverenigingen met als grondslag dat dit komt door de nieuwe tijd waarin mensen veelal geen lidmaatschappen meer aangaan. Zoals in de MvA is weergegeven baseert de regering de ledeneis verlaging op basis van wat zij in de praktijk waarneemt.

De minister stelt zelf in de handelingen van de Tweede Kamer dat vastgehouden wordt aan de eis van lidmaatschappen maar daarnaast moet óók ruimte worden geboden aan andere vormen van betrokkenheid.

In het voorgestelde artikel 2.30, tweede lid, onder a, staat dat omroepen niet alleen het leden aantal moeten aangeven maar ook hoe ze hun maatschappelijke opdracht en hoe ze de binding in de samenleving met de missie en identiteit kunnen borgen.

De zogenaamde rapportageplicht voor omroepen
Als mijn fractie het goed begrijpt kun je als aspirant omroepvereniging wel voldoen aan het vereiste van een leden aantal maar als je niet voldoende kunt aantonen wat je maatschappelijke binding en je opdracht is, dan zou je vooralsnog niet worden toegelaten tot het omroepbestel. Is dat een juiste conclusie zo vraag ik de minister.

Het advies van de Raad van State was om de toetsingscriteria óók in de wet op te nemen maar dat advies heeft de minister om hem moverende redenen niet opgevolgd.

Er ligt nu een opdracht bij het Commissariaat voor de Media en de Raad voor Cultuur om toetsingscriteria te formuleren. Echter bij het aannemen van dit wetsvoorstel zal de aspirant omroepvereniging nog steeds wettelijk iets moeten aantonen - namelijk voldoende maatschappelijke betrokkenheid - waarvoor de criteria ontbreken. Als escaperoute zegt de minister over het ontbreken van deze criteria: ‘Hierop zal in de komende concessieperiode nog geen beoordeling plaatsvinden’.

Mijn fractie vindt het uiterst onzorgvuldig om wetgeving waarin je bepalingen opneemt maar die je vervolgens buiten werking stelt omdat je meer tijd nodig hebt voor de inhoudelijke uitwerking, zeer ongewenst. Open normering in wetgeving is soms onvermijdbaar maar ook gevaarlijk, willekeur ligt op de loer.  Deze nog niet uitgewerkte en nader omschreven criteria kan vergaande consequenties hebben.  Kan de minister nogmaals aan 50PLUS duidelijk maken wat hij als kernvereiste voor de maatschappelijke betrokkenheid ziet. Daar moet hij tijdens het behandelen van dit wetsvoorstel toch wel enige gedachten bij hebben?

Van 3 naar 2 lineaire televisiekanalen
Het wetsvoorstel regelt dat de landelijke publieke omroep op termijn wordt teruggebracht naar twee lineaire televisiekanalen. Kan de minister ingaan op het begrip ‘termijn’ waar moet mijn fractie aan denken bij het bepalen van de duur ervan?

Dan zegt de minister in de MvA: ‘dat met deze aanpassing niet wordt beoogd dat een derde televisienet verdwijnt maar de NPO krijgt hierdoor de juridische manoeuvreerruimte om programmabudget vrij te spelen voor niet-lineaire programmering’.

Volgens de toelichting echter wordt dit landelijke derde kanaal waarvan de coördinatie berust bij de NPO, ingezet voor het programmeren van regionale programma’s.

Kan de minister in zijn antwoord verduidelijken waarom in het wetsvoorstel sprake is van 2 lineaire televisiekanalen terwijl de derde niet verdwijnt want die wordt omgevormd tot een kanaal met een regionaal karakter. Dan blijft dit toch ook een lineair televisiekanaal?

De regionale programma’s mogen ook van regionale omroepen afkomstig zijn. De NPO bepaalt welke regionale programma’s worden aangeboden. Betekent dit niet dat daardoor de ‘inhoudelijke’ bemoeienis van de NPO toeneemt? Dat overstijgt toch de coördinerende rol van de NPO waardoor de regionale omroepen hun onafhankelijk geheel of gedeeltelijk kunnen verliezen?

De positie van de Raad van Toezicht wordt met de invoering van de nieuwe maatregelen versterkt. Ook al wordt er met een maatregel beoogd dat het College van Omroepen gevraagd en ongevraagd advies geeft over besluiten, de Raad van Toezicht blijft het belangrijkste orgaan. Wanneer het College van Omroepen en de Raad van Bestuur er onderling niet uitkomen krijgt de Raad van Toezicht een instemmingsrecht. Moet dit instemmingsrecht niet worden gelezen als vetorecht?

Mijn fractie vraagt aan de minister of deze versterking van de positie van de Raad van Toezicht wel een wenselijke is met het oog op good governance zoals de leden van GL en PvdA ook al opmerkten.”

© 7 december 2020