Martin van RooijenLees de volledige inbreng van Kamerlid Martin van Rooijen bij de heropening van het debat over de wijziging van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Wet op het financieel toezicht in verband met de implementatie van Richtlijn 2016/2341/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV’s):

“Ik dank de minister voor de beantwoording van mijn vragen. Ik ben blij met zijn duidelijke antwoord op vraag drie, waarin hij onmiddellijk erkent dat de VWEU behoort tot het primaire recht van de Europese Unie en richtlijnen behoren tot het secundaire recht van de Europese Unie. Het is dan ook juist, zo schrijft de minister, dat de richtlijn niet in strijd mag zijn met het VWEU, omdat deze van een hogere orde is. Maar vervolgens geeft de minister geen duimbreed toe, want hij stelt eveneens: ‘Ik heb geen reden om aan te nemen dat de richtlijn in strijd is met het VWEU’. De rest van de brief met antwoorden moet ik dan ook beschouwen als een uiterste poging om recht te praten wat krom is.

Bij vraag 1 zegt hij het volgende: ‘Zogeheten interne situaties, oftewel situaties waarin alle aspecten zich in één lidstaat afspelen, worden niet door de vrijheden geraakt.’

Voorzitter dat is juist, maar hier gaat het helemaal niet om. Het punt is dat grensoverschrijdende overdrachten zich niet binnen één lidstaat afspelen en derhalve de verdragsvrijheid, zoals vrijheid van dienstverrichting, wel worden geraakt. Daar hebben we het over!

De voorgestelde regels bevatten een beperking van de mogelijkheid om overdrachten te doen aan buitenlandse pensioenaanbieders. Daarom is er voor die buitenlandse aanbieders een belemmering van hun mogelijkheid pensioendiensten aan te bieden, een belemmering die niet geldt voor binnenlandse aanbieders. Dit kan, zoals de minister erkent, niet recht gepraat worden met alleen het argument dat de richtlijn dit toelaat, met dien verstande dat het voorstel uit de Tweede nota van wijziging wel veel verder gaat dan hetgeen de richtlijn voorschrijft. Immers de minister erkent dat een richtlijn niet strijdig mag zijn met het VWEU als zijnde regelgeving van hogere orde.

De principiële vraag is nu dus of de richtlijn niet strijdig is met het Verdrag. De minister antwoordt dat de afdeling advisering van de Raad van State zich daar al over gebogen heeft. In het advies van de Raad van State staat echter geen enkele opmerking hierover.

Diverse deskundigen hebben zich op het standpunt gesteld dat er wel degelijk strijdigheid is met het verdrag: prof. Lutjens, prof. Van Meerten en mr. De Greef. Voorzitter, dat zijn niet de mindere goden op het gebied van EU- en pensioenrecht. Dat weten wij in dit gezelschap allemaal. Er is dus minstens reden om de Raad van State hier alsnog expliciet over te laten adviseren.

Voor grensoverschrijdende waardeoverdrachten gelden strengere eisen dan voor binnenlandse. Dat is volgens professor Van Meerten in strijd met Europese regels. In het vakblad PensioenPro stelt hij dat er maar één conclusie mogelijk is, ik citeer wederom: ‘Voor waardeoverdrachten binnen en buiten Nederland moeten zelfde regels gelden.’ Als het kabinet vasthoudt aan het onderscheid, dan zou een deelnemer zich op de (strengere) Europese regels kunnen beroepen bij een collectieve waardeoverdracht binnen Nederland.

Mr. De Greef verwoordde het als volgt: ‘Door aan de binnenlandse collectieve waardeoverdracht minder voorwaarden te verbinden dan aan de grensoverschrijdende, wordt een verkeerd signaal afgegeven naar de andere lidstaten. Het komt mij nogal krampachtig voor en dat is onterecht. Binnen de EU zijn alle lidstaten immers aan dezelfde minimumeisen gebonden op grond van IORP en Solvency’.

Krampachtig voorzitter. Dat is inderdaad het juiste woord voor de opstelling van de minister. Als zo’n zware juridisch gezelschap het tegenovergestelde beweert, dan heeft de minister toch redelijkerwijs geen andere keus dan letterlijk én figuurlijk de koninklijke weg te bewandelen? Dat wil zeggen, ten eerste:
1. Wil de minister alsnog de Raad van State expliciet om advies vragen of de richtlijn strijdig is met het EU-verdrag? 
2. En wil de minister daarnaast de Tweede nota van wijziging alsnog voorleggen aan de Raad van State?

Ik had de Kamer voorgesteld om ook nog met spoed een hoorzitting te houden met de professoren Van Meerten en Lutjens, alsmede met de heer De Greef. Daar is helaas geen meerderheid voor. Maar dat er voldoende juridische haken zijn voor advies van de Raad van State, is toch wel het minste!” •


Martin van Rooijen diende de volgende motie in:

De Kamer,

Gehoord de beraadslaging,

Constaterende dat de Minister er bij de gewijzigde pensioenfondsenrichtlijn (IORP 2) vanuit gaat dat er geen sprake is van strijdigheid met het EU verdrag (VWEU);

Overwegende dat diverse vooraanstaande deskundigen op het gebied van pensioenen en EU-recht stellen dat er wel degelijk sprake is van strijdigheid  met  het EU-verdrag;

Verzoekt de regering alsnog de Raad van State advies te vragen of deze Richtlijn strijdig is met EU-recht;
en gaat over tot de orde van de dag.

Van Rooijen

© 17 oktober 2018


Wilt u op de hoogte blijven?

Close

Like ons dan op Facebook!